The conjugation of the verb bijten

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bijt(ik) beet
(jij) bijt(jij) beet
(hij) bijt(hij) beet
(wij) bijten(wij) beten
(gij) bijt(gij) beet
(zij) bijten(zij) beten
Aanvoegende wijs
(ik) bijte
(jij) bijte
(hij) bijte
(wij) bijten
(gij) bijtet
(zij) bijten
Gebiedende wijs
bijt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bijtend(e)(hebben) gebeten