bijten
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bijt(ik) beet
(jij) bijt(jij) beet
(u) bijt(u) beet
(gij) bijt(gij) beet
(hij) bijt(hij) beet
(wij) bijten(wij) beten
(jullie) bijten(jullie) beten
(zij) bijten(zij) beten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bijte(ik) bete
(jij) bijte(jij) bete
(u) bijte(u) bete
(gij) bijtet(gij) betet
(hij) bijte(hij) bete
(wij) bijten(wij) beten
(jullie) bijten(jullie) beten
(zij) bijten(zij) beten
Gebiedende wijs
bijt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bijtend(e)(hebben) gebeten

Examples:

  • Blaffende honden bijten niet.
  • De mat is niet bestand tegen bijtende vloeistoffen en scherpe voorwerpen.
  • Hij beet een stuk van zijn koekje en verslikte zich bijna.
  • Ik bijt ze allemaal kapot.
  • U kunt door een vleermuis besmet worden als u door die vleermuis wordt gebeten.
  • Vervolgens duwe men het broodje tot aan de helft in de mond en men bijte het middendoor.
  • Ze beten me waar ze me maar raken konden.