The conjugation of the verb bezwijken

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bezwijk(ik) bezweek
(jij) bezwijk; bezwijk (jij)(jij) bezweek
(hij) bezwijkt(hij) bezweek
(wij) bezwijken(wij) bezweken
(gij) bezwijkt(gij) bezweekt
(zij) bezwijken(zij) bezweken
Aanvoegende wijs
(ik) bezwijke
(jij) bezwijke
(hij) bezwijke
(wij) bezwijke
(gij) bezwijket
(zij) bezwijken
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
bezwijkbezwijkt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bezwijkend(e)(zijn) bezweken