bersten
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) berst(ik) berstte, borst
(jij) berst(jij) berstte, borst
(u) berst(u) berstte, borst
(gij) berst(gij) bersttet, borstet
(hij) berst(hij) berstte, borst
(wij) bersten(wij) berstten, borsten
(jullie) bersten(jullie) berstten, borsten
(zij) bersten(zij) berstten, borsten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) berste(ik) berstte, borste
(jij) berste(jij) berstte, borste
(u) berste(u) berstte, borste
(gij) berstet(gij) bersttet, borstet
(hij) berste(hij) berstte, borste
(wij) bersten(wij) berstten, borsten
(jullie) bersten(jullie) berstten, borsten
(zij) bersten(zij) berstten, borsten
Gebiedende wijs
berst
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
berstend(e)(zijn) geborsten

Examples:

  • De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers berstten in lachen uit om het malle gezicht dat hij zette.
  • De kruik gaat echter net zo lang te water tot die berst.
  • Het kind berstte in tranen uit.
  • Hier borst zij in schreien los.