bedriegen
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bedrieg(ik) bedroog
(jij) bedriegt; bedrieg (jij)(jij) bedroog
(u) bedriegt(u) bedroog
(gij) bedriegt(gij) bedroogt
(hij) bedriegt(hij) bedroog
(wij) bedriegen(wij) bedrogen
(jullie) bedriegen(jullie) bedrogen
(zij) bedriegen(zij) bedrogen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bedriege(ik) bedroge
(jij) bedriege(jij) bedroge
(u) bedriege(u) bedroge
(gij) bedrieget(gij) bedroget
(hij) bedriege(hij) bedroge
(wij) bedriegen(wij) bedrogen
(jullie) bedriegen(jullie) bedrogen
(zij) bedriegen(zij) bedrogen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
bedriegbedriegt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bedriegend(e)(hebben) bedrogen

Examples:

  • Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling.
  • De wereld wil bedrogen worden.
  • Ik had kunnen weten dat jij me bedroog met die ander.
  • Ik hou van mannen, al blijven het natuurlijk wel liegende en bedriegende smeerlappen.
  • Misschien bedrieg jij jezelf door vooringenomenheid.
  • Schaad of bedrieg uw broeder of zuster niet.
  • Schijn bedriegt.
  • Soms kunnen je ogen je bedriegen.
  • Wanneer gij in Brammetje door zijn eerste uitroep een student in de theologie vermoeddet, bedroogt gij u niet.
  • Wie bedriegt hier wie?