bederven
Irregular forms are printed in red.

Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bederf(ik) bedierf
(jij) bederft; bederf (jij)(jij) bedierf
(u) bederft(u) bedierf
(gij) bederft(gij) bedierft
(hij) bederft(hij) bedierf
(wij) bederven(wij) bedierven
(jullie) bederven(jullie) bedierven
(zij) bederven(zij) bedierven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bederve(ik) bedierve
(jij) bederve(jij) bedierve
(u) bederve(u) bedierve
(gij) bedervet(gij) bediervet
(hij) bederven(hij) bedierve
(wij) bederven(wij) bedierven
(jullie) bederven(jullie) bedierven
(zij) bederven(zij) bedierven
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
bederfbederft
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bedervend(e)(hebben/zijn) bedorven

Examples:

  • Bederf de poes echter niet met veel melk of ander lekkers, want dan neemt de belangstelling voor ratten en muizen snel af.
  • Enkele malen per jaar lezen we in de krant dat een hele groep mensen ziek is geworden van bedorven voedsel.
  • En men giet geen oude wijn in een nieuwe zak, opdat hij hem niet bederve.
  • Het water, dat ook vrij snel bedierf, werd met de tanden op elkaar naar binnen gezogen, zodat men geen wormen binnen zou krijgen.
  • Hoe meer sporen tijdens de productie in de melk achterblijven, hoe sneller hij bederft.
  • In de middeleeuwen waren maar weinig manier om voedsel goed te behouden, er was dus een zeer grote kans dat veel producten bedierven.
  • Laat uw pret niet bederven!
  • Wilt gij de herstelling van hetgeen gij bedierft, verschuiven tot de dood — of tot de eeuwigheid?