The conjugation of the verb bakken

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) bak(ik) bakte
(jij) bakt; bak (jij)(jij) bakte
(hij) bakt(hij) bakte
(wij) bakken(wij) bakten
(gij) bakt(gij) baktet
(zij) bakken(zij) bakten
Aanvoegende wijs
(ik) bakke
(jij) bakke
(hij) bakke
(wij) bakken
(gij) bakket
(zij) bakken
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
bakbakt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
bakkend(e)(hebben) gebakken 1, (zijn) gebakt 2


Notes

1 to bake, to fry

Example: Wanneer heb je de koekjes gebakken?

2 to fail

Example: Hij is weer gebakt voor het examen.