Informatie over het woord verbranden (Nederlands → Esperanto: bruligi)

Uitspraak/vərˈbrɑndə(n)/
Afbrekingver·bran·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) verbrand(ik) verbrandde
(jij) verbrandt(jij) verbrandde
(hij) verbrandt(hij) verbrandde
(wij) verbranden(wij) verbrandden
(gij) verbrandt(gij) verbranddet
(zij) verbranden(zij) verbrandden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) verbrande(dat ik) verbrandde
(dat jij) verbrande(dat jij) verbrandde
(dat hij) verbrande(dat hij) verbrandde
(dat wij) verbranden(dat wij) verbrandden
(dat gij) verbrandet(dat gij) verbranddet
(dat zij) verbranden(dat zij) verbrandden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
verbrandverbrandt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
verbrandend, verbrandende(hebben) verbrand

Voorbeelden van gebruik

Verbrand in een schaaltje wat methanol en daarna wat ethanol.
Hoeveel gram zwavel moet men verbranden om 12,8 g zwaveldioxide (SO₂) te verkrijgen?

Vertalingen

Afrikaansverbrand
Duitsanfachen; anzünden; brennen lassen
Engelsburn
Esperantobruligi; ekflamigi
Faeröersfesta í; seta eld á
Hawaiaanspuhi
Italiaansaccendere; bruciare
Maleismembakar
Portugeesincendiar; incinerar; queimar
Saterfriesferbaadenje
Spaansencender; quemar
Tsjechischspálit; upálit