Information about the word branden (Dutch → Esperanto: bruli)

Pronunciation/ˈbrɑndə(n)/
Hyphenationbran·den
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) brand(ik) brandde
(jij) brandt(jij) brandde
(hij) brandt(hij) brandde
(wij) branden(wij) brandden
(gij) brandt(gij) branddet
(zij) branden(zij) brandden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) brande(dat ik) brandde
(dat jij) brande(dat jij) brandde
(dat hij) brande(dat hij) brandde
(dat wij) branden(dat wij) brandden
(dat gij) brandet(dat gij) branddet
(dat zij) branden(dat zij) brandden
Participles
Present participlePast participle
brandend, brandende(hebben) gebrand

Usage samples

Er brandden acht vuren.
De brandende olie zou door het water worden meegevoerd en het hele dal verlichten.
De toorts brandde nog steeds en wierp eeen flikkerend licht op het altaar.
De zon brandde heet op de witte gebouwen en een doodse stilte hing over de stad.
Achter een aantal vensters brandde licht, maar Cugel zag nergens iets bewegen.
Maar zowat overal brandt licht.
Carvel raapte een brandend stuk hout op en trad het hutje binnen.

Translations

Afrikaansbrand
Catalancremar
Czechhořet
Danishbrænde
Englishbe on fire; burn; sting
Esperantobruli
Faeroesebrenna
Finnishpalaa
Frenchbrûler
Germanbrennen
Greekκαίω
Hawaiianʻā
Hungarianég; elég; lángol
Italianardere; bruciare
Latinflagrare; flammare; urere
Luxemburgishbrennen
Malaybakar … membakar; menyala; bakar
Norwegianbrenne
Papiamentokima
Polishpalić się; spalać
Portuguesearder; queimar; queimar‐se
Romanianarde
Russianгореть; жечь
Saterland Frisianbaadenje
Scottish Gaelicloisg
Spanisharder; quemarse
Srananbron
Swedishbrinna
Thaiไหม้
Turkishyanmak
West Frisianbaarne; brâne
Yiddishברענען