Informatie over het woord rumoeren (Nederlands → Esperanto: brui)

Uitspraak/ryˈmuːrə(n)/
Afbrekingru·moe·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) rumoer(ik) rumoerde
(jij) rumoert(jij) rumoerde
(hij) rumoert(hij) rumoerde
(wij) rumoeren(wij) rumoerden
(gij) rumoert(gij) rumoerdet
(zij) rumoeren(zij) rumoerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) rumoere(dat ik) rumoerde
(dat jij) rumoere(dat jij) rumoerde
(dat hij) rumoere(dat hij) rumoerde
(dat wij) rumoeren(dat wij) rumoerden
(dat gij) rumoeret(dat gij) rumoerdet
(dat zij) rumoeren(dat zij) rumoerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
rumoerrumoert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
rumoerend, rumoerende(hebben) gerumoerd

Voorbeelden van gebruik

De eerste vogels rumoerden nog slaperig in het bos.

Vertalingen

Catalaansfer soroll
Duitsbrausen; Geräusch hervorbringen; Geräusch machen; lärmen
Engelsmake a noise
Esperantobrui
Faeröersduna; halda gang
Finsmeluta
Fransfaire du bruit
Hongaarshangoskodik; lármáz; zajong
Poolshałasować
Portugeesfarfalhar; fazer barulho
Russischшуметь
Saterfriesallaarmje; balskje; broaskje; bruusje; halaamje; karjöölje; rummelnasje; ruumoorje; schändoalje; skändoalje; späktoakelje
Zweedsbullra; larma; ramla