Informatie over het woord treten (Duits → Esperanto: marŝi)

Uitspraak/ˈtreːtən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) trete(ich) trat
(du) trittst(du) tratest, tratst
(er) tritt(er) trat
(wir) treten(wir) traten
(ihr) tretet(ihr) tratt
(sie) treten(sie) traten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) trete(ich) träte
(du) tretest(du) trätest
(er) trete(er) träte
(wir) treten(wir) träten
(ihr) tretet(ihr) trätet
(sie) treten(sie) träten
Gebiedende wijs
(du) tritt
(ihr) tretet
treten Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
tretend(haben) getreten

Vertalingen

Afrikaansloop; stap
Albaneeseci
Berbersddu (ⴷⴷⵓ)
Catalaanscaminar; marxar
Deensgå; marchere
Engelsmarch; walk
Engels (Oudengels)gan
Esperantomarŝi
Finsmarssia
Fransmarcher
Hawaiaanshele; hele wāwae
Italiaanscamminare
Jiddischגיין
Latijnambulare
Luxemburgsgoen
Maleisjalan; berjalan
Nederlandsbenen; lopen; marcheren
Noors
Papiamentskana
Poolsiść
Portugeesandar; caminhar; marchar
Russischпоходить; ходить
Saterfriesgunge; loope; marschierje; marskierje; treede
Schots-Gaelischcoisich
Spaansmarchar
Srananwaka
Thaisเดิน
Tsjechischjít
Turksyürümek
Welscerdded
Westerlauwers Friesrinne
Zweedsgå; löpa