Informatie over het woord witten (Nederlands → Esperanto: blankigi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈʋitə(n)/
Afbrekingwit·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) wit(ik) witte
(jij) wit(jij) witte
(hij) wit(hij) witte
(wij) witten(wij) witten
(gij) wit(gij) wittet
(zij) witten(zij) witten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) witte(dat ik) witte
(dat jij) witte(dat jij) witte
(dat hij) witte(dat hij) witte
(dat wij) witten(dat wij) witten
(dat gij) wittet(dat gij) wittet
(dat zij) witten(dat zij) witten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
witwit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
wittend, wittende(hebben) gewit

Vertalingen

Afrikaansbleik
Duitsbleichen; weißen; weiß machen
Engelsblanch; whiten
Esperantoblankigi
Fransmettre blanchir
Latijnalbare
Noorsbleike
Portugeesalvejar; branquear; corar; embranquecer
Russischбелить
Saterfriesbliekje; wietje
Turksağartmak; aklamak