Informatie over het woord zijn (Nederlands → Esperanto: esti)

Uitspraak/zɛɪ̯n/
Afbrekingzijn
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) ben(ik) was
(jij) bent(jij) was
(hij) is(hij) was
(wij) zijn(wij) waren
(gij) zijt(gij) waart
(zij) zijn(zij) waren
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) zij(dat ik) ware
(dat jij) zij(dat jij) ware
(dat hij) zij(dat hij) ware
(dat wij) zijn(dat wij) waren
(dat gij) zijt(dat gij) waret
(dat zij) zijn(dat zij) waren
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
weesweest
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
zijnd, zijnde(zijn) geweest

Voorbeelden van gebruik

Ik ben niet doof.
Hij was verantwoordelijk voor de dijk.
Ben je nu niet blij?
Waren alle mensen maar zo redelijk.
We zijn niet vlug genoeg geweest!
Dat zou kunnen, ware het niet dat de houtafdeling het zo druk heeft dat ik een jaar moet wachten.
Het zij zo.
Wees in de toekomst voorzichtiger en waag niet te veel.
Ze waren niet gescheiden.
Weest op uw hoede.
In Japan was hij nog nooit geweest.
Ik ben bang dat ik u moet beschouwen als zijnde de representant van de cliënt wiens naam u in het register heeft laten optekenen.
U is te jong voor een positie aan het hof!
Het was Harry, de zoon van Simon Ford.

Vertalingen

Afrikaanswees
Albaneesjam
Berbersili (ⵉⵍⵉ)
Catalaansésser; estar; haver‐hi; ser
Deensvære
Duitssein; werden
Engelsbe
Engels (Oudengels)beon; wesan
Esperantoesti
Faeröersvera
Finsolla
Fransêtre
Grieksείναι
Hongaarslenni
IJslandsvera
Jiddischזײַן
Latijnesse
Luxemburgssinn
Noorsvære
Papiamentsta
Poolsbyć
Portugeesachar‐se; estar; existir; ser
Roemeensfi
Russischбыть
Saterfrieswäide; weese
Spaansestar; ser
Sranana; na; de
Thaisคือ; ใช่; เป็น
Tsjechischbýt; býti
Turksolmak
Westerlauwers Frieswêze
Zweedsvara