Informatie over het woord wezen (Nederlands → Esperanto: esti)

Uitspraak/ˈʋezə(n)/
Afbrekingwe·zen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) ben(ik) was
(jij) bent(jij) was
(hij) is(hij) was
(wij) zijn(wij) waren
(gij) zijt(gij) waart
(zij) zijn(zij) waren
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) zij(dat ik) ware
(dat jij) zij(dat jij) ware
(dat hij) zij(dat hij) ware
(dat wij) wezen(dat wij) waren
(dat gij) wezet(dat gij) waret
(dat zij) wezen(dat zij) waren
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
weesweest
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
wezend, wezende(zijn) geweest

Voorbeelden van gebruik

De grond moet humusrijk zijn, weinig kalk bevatten en vooral niet te nat wezen.
Hoe oud waart ge toen?
En hij was de man die dat zou moeten doen.
Zij moesten al uit het gezicht wezen wanneer hij buiten kwam.
Hoe zou het geweest zijn als ik een dochter had gehad in plaats van een zoon?
Welnu, het zij zo.
Op andere tijden zijn ze ernstig en wordt de gehele Aarde beïnvloed.
Wees blij als je er geen te zien krijgt!
Zegt u maar wat het wezen mag.
U moet wel een heel gevoelig iemand wezen.
Ook zij hopen zich schadeloos te stellen uit uw schat, of ge in leven zijt of dood.
Er zou eigenlijk geen enkele reden zijn om over het verwaarloosde stukje natuur te schrijven, ware het niet dat daar vijftig jaar geleden de grote dichter Wladimir Waaizak onbegrepen gestorven was.

Vertalingen

Afrikaanswees
Albaneesjam
Berbersili (ⵉⵍⵉ)
Catalaansésser; estar; haver‐hi; ser
Deensvære
Duitssein; werden
Engelsbe
Engels (Oudengels)beon; wesan
Esperantoesti
Faeröersvera
Finsolla
Fransêtre
Grieksείναι
Hongaarslenni
IJslandsvera
Jiddischזײַן
Latijnesse
Luxemburgssinn
Noorsvære
Papiamentsta
Poolsbyć
Portugeesachar‐se; estar; existir; ser
Roemeensfi
Russischбыть
Saterfrieswäide; weese
Spaansestar; ser
Sranana; na; de
Thaisคือ; ใช่; เป็น
Tsjechischbýt; býti
Turksolmak
Westerlauwers Frieswêze
Zweedsvara