Informatie over het woord paar (Nederlands → Esperanto: duo)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/paːr/
Afbrekingpaar
Geslachtonzijdig
Meervoudparen

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
paartjepaartjes

Vertalingen

DuitsAnzahl von zwei
Engelscouple; pair
Esperantoduo
Hongaarspár
IJslandspar
Noorspar
Papiamentsduo; par
Poolspara
Portugeespar
Spaanspar
Thaisคู่
Westerlauwers Friespear; twatal
Zweedsduo; par