Informatie over het woord koppel (Nederlands → Esperanto: duo)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/ˈkɔpəl/
Afbrekingkop·pel

Vertalingen

DuitsAnzahl von zwei
Engelscouple
Esperantoduo
Hongaarspár
IJslandspar
Noorspar
Papiamentsduo; par
Poolspara
Portugeespar
Spaanspar
Thaisคู่
Westerlauwers Friespear; twatal
Zweedsduo; par