Informatie over het woord plank (Nederlands → Esperanto: breto)

Uitspraak/plɑŋk/
Afbrekingplank
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachthistorisch vrouwelijk, tegenwoordig ook manlijk
Meervoudplanken

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
plankjeplankjes

Voorbeelden van gebruik

Op een lange brede plank tegen de muur lagen drie gestalten met dekens bedekt.
Helemaal beneden nam ik een lantaarn van de plank.

Vertalingen

Afrikaansrakkie
Catalaansprestatge
Deensbræt
DuitsAblagebrett; Bordbrett; Brett; Regalfach
Engelsshelf
Esperantobreto
Faeröershill
Finshylly
Fransétagère; planche; rayon; rayon de rangement; tablette
Italiaansasse
Poolspółka
Portugeesprateleira
Russischполка
SaterfriesBoud
Spaansanaquel; estante; repisa
Westerlauwers Friesplanke