Informatie over het woord slaan (Nederlands → Esperanto: bati)

Uitspraak/slan/
Afbrekingslaan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sla(ik) sloeg
(jij) slaat(jij) sloeg
(hij) slaat(hij) sloeg
(wij) slaan(wij) sloegen
(gij) slaat(gij) sloegt
(zij) slaan(zij) sloegen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) slage(dat ik) sloege
(dat jij) slage(dat jij) sloege
(dat hij) slage(dat hij) sloege
(dat wij) slaan(dat wij) sloegen
(dat gij) slaat(dat gij) sloeget
(dat zij) slaan(dat zij) sloegen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
slaslaat
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
slaand, slaande(hebben) geslagen

Voorbeelden van gebruik

Opendoen, of wij slaan de boel kort en klein!
Ik heb je niet met een revolver op je hoofd geslagen.
Dan pakt de man een zweep en slaat er Mariska mee op haar billen.
Een tweede steen sloeg zijn helm van zijn hoofd, terwijl kleinere zijn armen en benen troffen.
Het leek net of ze op ijzer sloegen.

Vertalingen

Afrikaansslaan
Albaneesgoditje
Catalaansbategar; batre; castigar; copejar; espetegar; pegar; picar
Deensslå
Duitsaufschlagen; hauen; klopfen; peitschen gegen; prasseln gegen; prügeln; schlagen; schlagen gegen
Engelsbeat; hit; strike
Engels (Oudengels)swingan
Esperantobati
Faeröersberja; sláa
Finslyödä
Fransbattre; frapper; heurter
Hongaarsür; ver
IJslandsslá
Italiaansbattere; colpire
Jiddischשלאָגן
Latijnbattuere; fligere; pellere; pulsare
Luxemburgsschloen
Noorsslå
Papiamentsbati; dal; gòlpi
Poolsbić
Portugeesbater; dar pancada; maçar; malhar
Roemeensbate
Russischбить
Saterfriesbuukje; haue; rammelje; slo
Schots-Gaelischbuail
Spaansbatir; golpear; pegar
Srananfon; naki
Thaisตี
Tsjechischbíti
Westerlauwers Frieshuffe; reitsje; slaan
Zweedsbanka; drabba; slå