Informatie over het woord schließen (Duits → Esperanto: konkludi)

Uitspraak/ˈʃliːsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schließe(ich) schloß
(du) schließt(du) schlossest, schloßt
(er) schließt(er) schloß
(wir) schließen(wir) schlossen
(ihr) schließt(ihr) schloßt
(sie) schließen(sie) schlossen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schließe(ich) schlösse
(du) schließest(du) schlössest
(er) schließe(er) schlösse
(wir) schließen(wir) schlössen
(ihr) schließet(ihr) schlösset
(sie) schließen(sie) schlössen
Gebiedende wijs
(du) schließe
(ihr) schließt
schließen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schließend(haben) geschlossen

Vertalingen

Catalaansconcloure
Deensslutte
Engelsconclude; gather; infer
Esperantokonkludi
Faeröerskoma til niðurløgu
Finstehdä johtopäätös
Fransconclure
Italiaansconcludere; dedurre
Nederlandsafleiden; besluiten; concluderen; een gevolgtrekking maken; opmaken; tot de slotsom komen
Papiamentskonklú
Portugeesconcluir; depreender; tirar conclusão de
Roemeensdetermina
Saterfriesfoulgerje; sluute
Spaansconcluir; sacar conclusión