Informatie over het woord schuiven (Nederlands → Esperanto: ŝoviĝi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsxœʏ̯və(n)/
Afbrekingschui·ven

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schuif(ik) schoof
(jij) schuift(jij) schoof
(hij) schuift(hij) schoof
(wij) schuiven(wij) schoven
(gij) schuift(gij) schooft
(zij) schuiven(zij) schoven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schuive(dat ik) schove
(dat jij) schuive(dat jij) schove
(dat hij) schuive(dat hij) schove
(dat wij) schuiven(dat wij) schoven
(dat gij) schuivet(dat gij) schovet
(dat zij) schuiven(dat zij) schoven
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schuifschuift
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schuivend, schuivende(hebben/zijn) geschoven

Voorbeelden van gebruik

Weer schoof ik iets opzij.

Vertalingen

Duitsrutschen; sich schieben
Engelsslide
Esperantoŝoviĝi
Portugeesdeslizar
Spaansdeslizarse