Informatie over het woord schuiven (Nederlands → Esperanto: ŝovi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsxœʏ̯və(n)/
Afbrekingschui·ven

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schuif(ik) schoof
(jij) schuift(jij) schoof
(hij) schuift(hij) schoof
(wij) schuiven(wij) schoven
(gij) schuift(gij) schooft
(zij) schuiven(zij) schoven
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schuive(dat ik) schove
(dat jij) schuive(dat jij) schove
(dat hij) schuive(dat hij) schove
(dat wij) schuiven(dat wij) schoven
(dat gij) schuivet(dat gij) schovet
(dat zij) schuiven(dat zij) schoven
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schuifschuift
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schuivend, schuivende(hebben) geschoven

Voorbeelden van gebruik

Hij schoof de lijken die het dichtst bij het vuur lagen opzij en maakte zich op om te gaan slapen.
Vervolgens schoven ze hun boot de zee in.
Maar jij had een stoel dicht bij de haard geschoven.

Vertalingen

Afrikaansskuif; skuiwe
Catalaansempènyer arossegant; fer lliscar
Deensskubbe
Duitsschieben
Engelsshove; slide
Esperantoŝovi
Faeröersskúgva
Finstyöntää
Fransfaire glisser; fourrer
Portugeesempurrar
Saterfriesschuuwe; skuuwe
Spaanshacer deslizar; hacer resbalar; meter habilmente