Informatie over het woord afsluiten (Nederlands → Esperanto: ŝlosi)

Uitspraak/ˈɑfslœʏ̯tən)/
Afbrekingaf·slui·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sluit af(ik) sloot af
(jij) sluit af(jij) sloot af
(hij) sluit af(hij) sloot af
(wij) sluiten af(wij) sloten af
(gij) sluit af(gij) sloot af
(zij) sluiten af(zij) sloten af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afsluite(dat ik) afslote
(dat jij) afsluite(dat jij) afslote
(dat hij) afsluite(dat hij) afslote
(dat wij) afsluiten(dat wij) afsloten
(dat gij) afsluitet(dat gij) afslotet
(dat zij) afsluiten(dat zij) afsloten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sluit afsluit af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afsluitend, afsluitende(hebben) afgesloten

Voorbeelden van gebruik

Sluit het flesje of de tube na gebruik goed af.

Vertalingen

Afrikaansafsluit
Catalaanstancar amb clau
Deenslåse
Duitsschließen; verschließen; zuschließen
Engelslock
Esperantoŝlosi
Faeröerslæsa
Finslukita
Fransfermer; fermer à clé
Italiaansserrare a chiave
Latijnclaudere
Portugeesfechar
Roemeensîncuia
Saterfriesfersluute; pänje; sluute; ticht moakje
Schots-Gaelischglas
Spaanscerrar; cerrar con llave
Tsjechischzamknout
Westerlauwers Friesôfskoattelje; skoattelje
Zweedslåsa