Informatie over het woord schuilen (Nederlands → Esperanto: ŝirmi sin)

Uitspraak/ˈsxœʏ̯lə(n)/
Afbrekingschui·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schuil(ik) school, schuilde
(jij) schuilt(jij) school, schuilde
(hij) schuilt(hij) school, schuilde
(wij) schuilen(wij) scholen, schuilden
(gij) schuilt(gij) schoolt, schuildet
(zij) schuilen(zij) scholen, schuilden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schuile(dat ik) schole
(dat jij) schuile(dat jij) schole
(dat hij) schuile(dat hij) schole
(dat wij) schuilen(dat wij) scholen
(dat gij) schuilet(dat gij) scholet
(dat zij) schuilen(dat zij) scholen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schuilschuilt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schuilend, schuilende(hebben) gescholen, geschuild

Voorbeelden van gebruik

Ze moeten schuilen gaan, en danig gauw.
Lenie had al naar huis getelefoneerd dat ze op Sonnewende schuilden.

Vertalingen

Engelsshelter
Esperantoŝirmi sin
Franss’abriter; se mettre à l’abri; se retrancher