Informo pri la vorto zweren (nederlanda → esperanto: ĵuri)

Vortspecoverbo
Prononco/ˈzʋerə(n/
Dividozwe·ren

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) zweer(ik) zwoer
(jij) zweert(jij) zwoer
(hij) zweert(hij) zwoer
(wij) zweren(wij) zwoeren
(gij) zweert(gij) zwoert
(zij) zweren(zij) zwoeren
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) zwere(dat ik) zwoere
(dat jij) zwere(dat jij) zwoere
(dat hij) zwere(dat hij) zwoere
(dat wij) zweren(dat wij) zwoeren
(dat gij) zweret(dat gij) zwoeret
(dat zij) zweren(dat zij) zwoeren
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
zweerzweert
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
zwerend, zwerende(hebben) gezworen

Uzekzemploj

Toen hij drie jaar geleden wegreed, had hij gezworen dat hij nooit meer een voet in dit gat zou zetten en nu was hij toch weer terug.
Op dat ogenblik en op die plek zwoer ik dat in de toekomst iedereen die het maar wilde, mijn dagelijks leven tot in de kleinste bijzonderheden zou mogen kennen.
Hij zwoer geen wraak te zullen nemen.
Ik had durven zweren dat ik hem kende, en toch wist ik zeker dat ik hem nog nooit had gezien.
We zwoeren het eiland nooit te verlaten.

Tradukoj

afrikansosweer
anglaswear; vow
angla (malnovangla)swerian
ĉeĥapřísahat
danasværge
esperantoĵuri
feroasvørja
finnavannoa
francajurer; prêter serment
germanabeeidigen; beschwören; einen Eid leisten; einen Eid schwören; schwören
hispanajurar
italagiurare
katalunajurar
latinoiurare
okcidenta frizonaswarre
papiamentohura
portugalajurar; prestar juramento
rumanajura
saterlanda frizonabe‐eedigje; besweere; beswööre
surinamasweri
svedasvära
turkaant içmek