Information about the word uitspelen (Dutch → Esperanto: ĵeti)

Pronunciation/ˈœʏ̯tspelə(n)/
Hyphenationuit·spe·len
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) speel uit(ik) speelde uit
(jij) speelt uit(jij) speelde uit
(hij) speelt uit(hij) speelde uit
(wij) spelen uit(wij) speelden uit
(gij) speelt uit(gij) speeldet uit
(zij) spelen uit(zij) speelden uit
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) uitspele(dat ik) uitspeelde
(dat jij) uitspele(dat jij) uitspeelde
(dat hij) uitspele(dat hij) uitspeelde
(dat wij) uitspelen(dat wij) uitspeelden
(dat gij) uitspelet(dat gij) uitspeeldet
(dat zij) uitspelen(dat zij) uitspeelden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
speel uitspeelt uit
Participles
Present participlePast participle
uitspelend, uitspelende(hebben) uitgespeeld

Translations

Afrikaansgooi
Albanianhedh
Catalanllançar; llençar; tirar
Czechházet; hodit; vrhat; vrhnout
Danishkaste
Englishcast; pitch; throw; toss
English (Old English)weorpan
Esperantoĵeti
Faeroesekasta
Finnishheittää
Frenchjeter; projeter
Germanwerfen
Hungariandob
Icelandickasta
Italiangettare
Latiniacere
Luxemburgishschéissen
Malaybaling; lempar … melempar; campak; lempar; lontar; melempar
Norwegiankaste; hive; slenge
Papiamentobenta; tira
Polishrzucać
Portuguesearremessar; atirar; lançar
Romanianarunca
Russianбросать; кидать
Saterland Frisiangooie; klüütje; kuusje; slingerje; sloiderje; smiete; wamsje
Scottish Gaelictilg
Spanishechar; lanzar
Srananfringi; iti
Swedishkasta; vräka
Thaiข้วาง; โยน; ปา
Turkishatmak
West Frisiangoaie
Yiddishוואַרפֿן