Informatie over het woord storen (Nederlands → Esperanto: ĝeni)

Uitspraak/ˈstorə(n)/
Afbrekingsto·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) stoor(ik) stoorde
(jij) stoort(jij) stoorde
(hij) stoort(hij) stoorde
(wij) storen(wij) stoorden
(gij) stoort(gij) stoordet
(zij) storen(zij) stoorden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) store(dat ik) stoorde
(dat jij) store(dat jij) stoorde
(dat hij) store(dat hij) stoorde
(dat wij) storen(dat wij) stoorden
(dat gij) storet(dat gij) stoordet
(dat zij) storen(dat zij) stoorden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
stoorstoort
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
storend, storende(hebben) gestoord

Voorbeelden van gebruik

U stoort de patiënten!
Als de mensen zo verschrikkelijk bang voor die plek waren, dan zou hij ook zeker niet gestoord worden.
Ik stoor toch niet?

Vertalingen

Afrikaansbelemmer; versteur
Catalaansamoïnar; empipar; emprenyar; fer la guitza; importunar
Deensforstyrre; hindre
Duitsbeengen; behindern; belästigen; genieren; lästig werden; stören
Engelsdisturb; trouble
Esperantoĝeni
Faeröersórógva
Finsvaivata
Fransdéranger; gêner
Italiaansdisturbare
Poolskrępować; przeszkadzać
Portugeesimportunar; incomodar; molestar
Roemeensderanja; incomoda; indispune
Saterfriesäängje; behinderje; lastich wäide; piesakje; schenierje; skenierje; stööre
Spaansdificultar; estorbar; molestar; perturbar
Srananmoferi
Tsjechischnarušovat; porušit; rušit; vyrušovat
Turksaksatmak