Information about the word schoonvegen (Dutch → Esperanto: balai)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈsxonveɣə(n)/
Hyphenationschoon·ve·gen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) veeg schoon(ik) veegde schoon
(jij) veegt schoon(jij) veegde schoon
(hij) veegt schoon(hij) veegde schoon
(wij) vegen schoon(wij) veegden schoon
(gij) veegt schoon(gij) veegdet schoon
(zij) vegen schoon(zij) veegden schoon
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) schoonvege(dat ik) schoonveegde
(dat jij) schoonvege(dat jij) schoonveegde
(dat hij) schoonvege(dat hij) schoonveegde
(dat wij) schoonvegen(dat wij) schoonveegden
(dat gij) schoonveget(dat gij) schoonveegdet
(dat zij) schoonvegen(dat zij) schoonveegden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
veeg schoonveegt schoon
Participles
Present participlePast participle
schoonvegend, schoonvegende(hebben) schoongeveegd

Usage samples

De lust om zijn tuinpad verder schoon te vegen was hem vergaan.

Translations

Afrikaansvee; veeg
Catalanagranar; escombrar
Danishfeje
Englishsweep
Esperantobalai
Faeroesesópa
Frenchbalayer
Germanfegen; kehren; abkehren; auskehren; abfegen; ausfegen; vor sich herfegen; hinwegfegen
Hungariansöpör
Papiamentobari
Portuguesevarrer; vasculhar; vassourar
Russianзаметать; мести
Saterland Frisianfeegje
Scottish Gaelicsguab
Spanishbarrer
Srananfigi; sibi
Swedishsopa
Thaiกวาด
West Frisianfeie