Information about the word aanvegen (Dutch → Esperanto: balai)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈanveɣə(n)/
Hyphenationaan·ve·gen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) veeg aan(ik) veegde aan
(jij) veegt aan(jij) veegde aan
(hij) veegt aan(hij) veegde aan
(wij) vegen aan(wij) veegden aan
(gij) veegt aan(gij) veegdet aan
(zij) vegen aan(zij) veegden aan
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) aanvege(dat ik) aanveegde
(dat jij) aanvege(dat jij) aanveegde
(dat hij) aanvege(dat hij) aanveegde
(dat wij) aanvegen(dat wij) aanveegden
(dat gij) aanveget(dat gij) aanveegdet
(dat zij) aanvegen(dat zij) aanveegden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
veeg aanveegt aan
Participles
Present participlePast participle
aanvegend, aanvegende(hebben) aangeveegd

Translations

Afrikaansvee; veeg
Catalanagranar; escombrar
Danishfeje
Englishsweep
Esperantobalai
Faeroesesópa
Frenchbalayer
Germanfegen; kehren; abkehren; auskehren; abfegen; ausfegen; vor sich herfegen; hinwegfegen
Hungariansöpör
Papiamentobari
Portuguesevarrer; vasculhar; vassourar
Russianзаметать; мести
Saterland Frisianfeegje
Scottish Gaelicsguab
Spanishbarrer
Srananfigi; sibi
Swedishsopa
Thaiกวาด
West Frisianfeie