Informatie over het woord uitscheiden (Nederlands → Esperanto: ĉesi)

Uitspraak/ˈœʏ̯tsxɛɪ̯(d)ə(n)/
Afbrekinguit·schei·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schei uit, scheid uit(ik) scheed uit
(jij) scheidt uit(jij) scheed uit
(hij) scheidt uit(hij) scheed uit
(wij) scheiden uit(wij) scheden uit
(gij) scheidt uit(gij) scheedt uit
(zij) scheiden uit(zij) scheden uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitscheide(dat ik) uitschede
(dat jij) uitscheide(dat jij) uitschede
(dat hij) uitscheide(dat hij) uitschede
(dat wij) uitscheiden(dat wij) uitscheden
(dat gij) uitscheidet(dat gij) uitschedet
(dat zij) uitscheiden(dat zij) uitscheden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schei uit, scheid uitscheidt uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitscheidend, uitscheidende(zijn) uitgescheden

Voorbeelden van gebruik

Schei uit over die sleutel!
U moet ermee uitscheiden.
Ik schei ermee uit.
Schei uit met je gewauwel!

Vertalingen

Afrikaansophou
Catalaanscessar
Deensophøre
Duitsabbrechen; aufhören
Engelsquit; stop
Engels (Oudengels)ablinnan
Esperantoĉesi
Faeröershalda uppat
Finslakata
Franscesser
Hongaarsmegszűnik
Italiaanscessare
Poolsprzestać
Portugeescessar; parar de
Roemeensînceta; se opri; stopa
Saterfriesapheere
Spaanscesar
Sranankaba
Thaisหยุด
Tsjechischpřestat; přestávat; ustat
Westerlauwers Friesôfbrekke