Informatie over het woord ophouden (Nederlands → Esperanto: ĉesi)

Uitspraak/ˈɔpɦɑʊ̯də(n)/, /ˈɔpɦɑʊ̯ʋə(n)/
Afbrekingop·houd·en
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) hou op, houd op(ik) hield op
(jij) houdt op(jij) hield op
(hij) houdt op(hij) hield op
(wij) houden op(wij) hielden op
(gij) houdt op(gij) hieldt op
(zij) houden op(zij) hielden op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) ophoude(dat ik) ophielde
(dat jij) ophoude(dat jij) ophielde
(dat hij) ophoude(dat hij) ophielde
(dat wij) ophouden(dat wij) ophielden
(dat gij) ophoudet(dat gij) ophieldet
(dat zij) ophouden(dat zij) ophielden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
hou op, houd ophoudt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
ophoudend, ophoudende(hebben) opgehouden

Voorbeelden van gebruik

Het sneeuwen had gelukkig opgehouden en de maan scheen kil over de witte natuur, zodat het zicht helder was.
Het geluid hield op.
Met het vallen van de duisternis nam de wind af en ook de regen hield op.

Vertalingen

Afrikaansophou
Catalaanscessar
Deensophøre
Duitsabbrechen; aufhören
Engelscease; end; quit; stop
Engels (Oudengels)ablinnan
Esperantoĉesi
Faeröershalda uppat
Finslakata
Franscesser
Hongaarsmegszűnik
Italiaanscessare
Poolsprzestać
Portugeescessar; parar de
Roemeensînceta; se opri; stopa
Saterfriesapheere
Spaanscesar
Sranankaba
Thaisหยุด
Tsjechischpřestat; přestávat; ustat
Westerlauwers Friesôfbrekke