Informatie over het woord befehlen (Duits → Esperanto: komandi)

Uitspraak/bəˈfeːlən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) befehle(ich) befahl
(du) befiehlst(du) befahlst
(er) befiehlt(er) befahl
(wir) befehlen(wir) befahlen
(ihr) befehlt(ihr) befahlt
(sie) befehlen(sie) befahlen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) befehle(ich) befähle, beföhle
(du) befehlest(du) befählest, beföhlest
(er) befehle(er) befähle, beföhle
(wir) befehlen(wir) befählen, beföhlen
(ihr) befehlet(ihr) befählet, beföhlet
(sie) befehlen(sie) befählen, beföhlen
Gebiedende wijs
(du) befiehl
(ihr) befehlt
befehlen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
befehlend(haben) befohlen

Vertalingen

Albaneeskomandoj
Catalaanscomandar
Engelscommand; order
Esperantokomandi
Nederlandsaanvoeren; bevelen; commanderen; het bevel voeren
Papiamentskomandá; manda
Roemeenscomanda; conduce
Saterfriesbefeele; gebjoode; kommandierje
Spaansacaudillar; mandar
Sranangi orda; komanderi
Westerlauwers Friesbefelje
Zweedsbefalla; kommendera