Information about the word chaufferen (Dutch → Esperanto: veturigi)

Part of speechverb
Pronunciation/sjoˈferə(n)/
Hyphenationchauf·fe·ren

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) chauffeer(ik) chauffeerde
(jij) chauffeert(jij) chauffeerde
(hij) chauffeert(hij) chauffeerde
(wij) chaufferen(wij) chauffeerden
(gij) chauffeert(gij) chauffeerdet
(zij) chaufferen(zij) chauffeerden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) chauffere(dat ik) chauffeerde
(dat jij) chauffere(dat jij) chauffeerde
(dat hij) chauffere(dat hij) chauffeerde
(dat wij) chaufferen(dat wij) chauffeerden
(dat gij) chaufferet(dat gij) chauffeerdet
(dat zij) chaufferen(dat zij) chauffeerden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
chauffeerchauffeert
Participles
Present participlePast participle
chaufferend, chaufferende(hebben) gechauffeerd

Usage samples

Mijn vriend Ed kan uitstekend chaufferen.
Ik zal oom Jules vragen of hij me wil leren chaufferen deze vakantie.
„Rijd de auto van de weg af voor het geval er iemand langskomt”, zei hij tegen de man die chauffeerde.

Translations

Czechjet; vézt
Danishkøre
Englishdrive
Esperantoveturigi
Germanfahren; auflesen
Papiamentokore
Portugueseconduzir; transportar
Saterland Frisianfiere
Spanishconducir; dirigir
Thaiขับ; ขับขี่