Informatie over het woord rijden (Nederlands → Esperanto: veturi)

Uitspraak/ˈrɛɪ̯də(n)/
Afbrekingrij·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) rij, rijd(ik) reed
(jij) rijdt(jij) reed
(hij) rijdt(hij) reed
(wij) rijden(wij) reden
(gij) rijdt(gij) reedt
(zij) rijden(zij) reden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) rijde(dat ik) rede
(dat jij) rijde(dat jij) rede
(dat hij) rijde(dat hij) rede
(dat wij) rijden(dat wij) reden
(dat gij) rijdet(dat gij) redet
(dat zij) rijden(dat zij) reden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
rij, rijdrijdt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
rijdend, rijdende(hebben/zijn) gereden

Voorbeelden van gebruik

Daarbij reed een auto met vermoedelijk hoge snelheid tegen een boom, meldde de politie.
Hij is ingestapt en ik ben naar zijn villa gereden.
Nu reed hij Londen uit.
Daar rijdt hij!

Vertalingen

Afrikaansry; vaar
Catalaansanar; circular; viatjar
Deensfare; køre
Duitsfahren
Engelsdrive; ride; travel
Esperantoveturi
Finsajaa
Fransaller; aller en véhicule; se déplacer
Hongaarsutazik
Italiaanscamminare
Jiddischפֿאָרן
Latijnvehere
Noorskjøre
Poolsjechać
Portugeesandar; ir; rodar; viajar
Saterfriesfiere; gunge
Spaansir; ir en vehículo
Turksgitmek
Westerlauwers Friesfarre; gean
Zweedsfara; åka