Information du mot zegevieren (néerlandais → espéranto: venki)

Parti du discoursverbe
Prononciation/ˈzeɣəviːrə(n)/
Césureze·ge·vie·ren

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) zegevier(ik) zegevierde
(jij) zegeviert(jij) zegevierde
(hij) zegeviert(hij) zegevierde
(wij) zegevieren(wij) zegevierden
(gij) zegeviert(gij) zegevierdet
(zij) zegevieren(zij) zegevierden
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) zegeviere(dat ik) zegevierde
(dat jij) zegeviere(dat jij) zegevierde
(dat hij) zegeviere(dat hij) zegevierde
(dat wij) zegevieren(dat wij) zegevierden
(dat gij) zegevieret(dat gij) zegevierdet
(dat zij) zegevieren(dat zij) zegevierden
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
zegevierzegeviert
Participes
Participe présentParticipe passé
zegevierend, zegevierende(hebben) gezegevierd

Exemples d’usage

De gerechtigheid zegeviert altijd!

Traductions

afrikaansverslaan; seëvier
allemandbewältigen; meistern; bemeistern; siegen; besiegen; überwinden
anglaisbeat; defeat; overcome; overthrow; surmount; vanquish; win over; get the better of
catalansuperar; vèncer
danoisbesejre
espagnolvencer
espérantovenki
féringiensigra; vinna
finnoisvoittaa
françaisabattre; surmonter; vaincre
frison occidentalferslaan
frison saterlandfersmääje; fersmätse; remäntje; siegje; uurtwinge; uurwinne; winne
papiamentoderotá; vense
portugaisdebelar; derrotar; levar de vencida; sobrepujar; superar
roumaincâștiga; învinge
suédoisbesegra
tchèquepřekonat; přemoci; zdolat
thaïชนะ; ขนะ
turcaltetmek