Information about the word beluisteren (Dutch → Esperanto: aŭskulti)

Pronunciation/bəˈlœʏ̯stərə(n)/
Hyphenationbe·luis·te·ren
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) beluister(ik) beluisterde
(jij) beluistert(jij) beluisterde
(hij) beluistert(hij) beluisterde
(wij) beluisteren(wij) beluisterden
(gij) beluistert(gij) beluisterdet
(zij) beluisteren(zij) beluisterden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) beluistere(dat ik) beluisterde
(dat jij) beluistere(dat jij) beluisterde
(dat hij) beluistere(dat hij) beluisterde
(dat wij) beluisteren(dat wij) beluisterden
(dat gij) beluisteret(dat gij) beluisterdet
(dat zij) beluisteren(dat zij) beluisterden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
beluisterbeluistert
Participles
Present participlePast participle
beluisterend, beluisterende(hebben) beluisterd

Translations

sel; smeḥses (ⵙⴻⵍ??ⵙⵎⴻⵃⵙⴻⵙ)
Afrikaansbeluister; luister; luister na; aanhoor
Albaniandëgjoj
Catalanauscultar; escoltar; exaudir
Czechnaslouchat; poslouchat
Danishlytte; lytte til
Englishlisten to
Esperantoaŭskulti
Faeroeselurta
Finnishkuunnella
Frenchécouter
Germananhören; aushorchen; hinhören; hören; lauschen; zuhören
Hungarianhallgat
Italianascoltare
Latinauscultare
Papiamentoscucha
Polishsłuchać
Portuguesedar atenção a; escutar; ouvir
Romanianasculta
Russianпослушать; слушать
Saterland Frisianlunkoorje; lusterje; pinkoorje; toulusterje; uutheere
Scottish Gaelicéisd
Spanishescuchar
Srananarki; yere
Swedishhöra; lyssna; åhöra
Thaiฝัง; ฟัง
Turkishdinlemek
West Frisianbeharkje; harkje