Information about the word raken (Dutch → Esperanto: tuŝi)

Pronunciation/ˈrakə(n)/
Hyphenationra·ken
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) raak(ik) raakte
(jij) raakt(jij) raakte
(hij) raakt(hij) raakte
(wij) raken(wij) raakten
(gij) raakt(gij) raaktet
(zij) raken(zij) raakten
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) rake(dat ik) raakte
(dat jij) rake(dat jij) raakte
(dat hij) rake(dat hij) raakte
(dat wij) raken(dat wij) raakten
(dat gij) raket(dat gij) raaktet
(dat zij) raken(dat zij) raakten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
raakraakt
Participles
Present participlePast participle
rakend, rakende(hebben) geraakt

Translations

Afrikaansaanraak
Catalanafectar; concernir; tocar
Danishberøre
Englishaffect; touch
Esperantotuŝi
Faeroesenerta
Finnishkoskettaa
Frenchtoucher
Germananrühren; berühren; rühren; tangieren
Greekαγγίζω
Italiantoccare
Latintangere
Malaysentuh
Papiamentomishi
Portuguesebulir; mexer; tocar
Romanianatinge
Saterland Frisianberüürje; roakje; röögje
Spanishestar en contacto; tocar
Srananfasi; meri
Swedishberöra
Thaiจด; ต้อง; แตะ; แตะต้อง
West Frisianoanreitsje; oanroere