Informatie over het woord treffen (Nederlands → Esperanto: trafi)

Uitspraak/ˈtrɛfə(n)/
Afbrekingtref·fen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) tref(ik) trof
(jij) treft(jij) trof
(hij) treft(hij) trof
(wij) treffen(wij) troffen
(gij) treft(gij) troft
(zij) treffen(zij) troffen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) treffe(dat ik) troffe
(dat jij) treffe(dat jij) troffe
(dat hij) treffe(dat hij) troffe
(dat wij) treffen(dat wij) troffen
(dat gij) treffet(dat gij) troffet
(dat zij) treffen(dat zij) troffen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
treftreft
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
treffend, treffende(hebben) getroffen

Voorbeelden van gebruik

Het is een vreselijk lot dat mij getroffen heeft.
De dwerg bleef enkele ogenblikken als door de bliksem getroffen staan.
Dat een bliksemschicht mij treffe als het niet waar is!
Tientallen tornado’s troffen vrijdag de staten Indiana, Kentucky, Ohio, Georgia en Alabama.
Ach, welke ramp zal ons nu treffen?
De man met het zwaard wachtte op een kans om toe te slaan zonder het risico te lopen dat hij de soldaten trof.

Vertalingen

Afrikaansraak; tref; teister
Catalaanscaure; encertar; endevinar; ensopegar
Duitstreffen
Engelscatch; encounter; hit; strike; befall
Esperantotrafi
Faeröersraka; ráma
Fransatteindre; frapper; parvenir; saisir
Italiaanscolpire
Maleismemukul; pukul
Papiamentsraka
Poolstrafić
Portugeesacertar; atingir; dar no alvo
Russischбить; ударить
Saterfriesmäite; roakje; träffe
Spaansacertar; dar con; dar en
Tsjechischtrefit; zasáhnout
Westerlauwers Friestreffe