Informatie over het woord fangen (Duits → Esperanto: kapti)

Uitspraak/ˈfaŋən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) fange(ich) fing
(du) fängst(du) fingst
(er) fängt(er) fing
(wir) fangen(wir) fingen
(ihr) fangt(ihr) fingt
(sie) fangen(sie) fingen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) fange(ich) finge
(du) fangest(du) fingest
(er) fange(er) finge
(wir) fangen(wir) fingen
(ihr) fanget(ihr) finget
(sie) fangen(sie) fingen
Gebiedende wijs
(du) fange
(ihr) fangt
fangen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
fangend(haben) gefangen

Vertalingen

Afrikaansbeetgryp; beetkry; beetneem; beetpak; beetvat; vang; vat
Albaneeskap
Catalaansagafar; atrapar; captivar; capturar; copsar
Deensfange
Engelscatch; trap
Engels (Oudengels)huntian
Esperantokapti
Faeröersfanga; handbera
Finspyydystää
Fransattraper; capturer; saisir
Grieksαιχμαλωτίζω
Hongaarsmegfog
Italiaansprendere
Jiddischכאַפּן; פֿאַנגען
Latijncapere
Maleismenangkap; tangkap
Nederlandsbeetkrijgen; beetnemen; betrappen; opvangen; pakken; vangen; vastpakken; vatten
Noorsfange; gripe
Papiamentsfango; fangu; kèch
Poolschwytać; łapać
Portugeesapanhar; aprisionar; capturar
Roemeenscaptura; apuca; prinde
Russischвзять
Saterfriesbedappe; dappe; fange; pakje; uurrumpelje
Schots-Gaelischglac
Spaansatrapar; capturar
Srananfanga
Thaisเกี่ยว; ต้อง
Westerlauwers Friesfange
Zweedsfånga