Informo pri la vorto beangstigen (nederlanda → esperanto: timigi)

Prononco/bəˈɑŋstəɣə(n)/
Dividobe·ang·sti·gen
Vortspecoverbo

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) beangstig(ik) beangstigde
(jij) beangstigt(jij) beangstigde
(hij) beangstigt(hij) beangstigde
(wij) beangstigen(wij) beangstigden
(gij) beangstigt(gij) beangstigdet
(zij) beangstigen(zij) beangstigden
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) beangstige(dat ik) beangstigde
(dat jij) beangstige(dat jij) beangstigde
(dat hij) beangstige(dat hij) beangstigde
(dat wij) beangstigen(dat wij) beangstigden
(dat gij) beangstiget(dat gij) beangstigdet
(dat zij) beangstigen(dat zij) beangstigden
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
beangstigbeangstigt
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
beangstigend, beangstigende(hebben) beangstigd

Tradukoj

anglaalarm
angla (malnovangla)afæran
danaforskrække
esperantotimigi
feroaræða
francaredouter
germanaabschrecken; ängstigen; einschüchtern; verscheuchen
portugalaamedrontar
rumanasperia
saterlanda frizonaferfiere; ouschräkke; ouskräkke