Information about the word bijhouden (Dutch → Esperanto: teni)

Pronunciation/ˈbɛɪ̯ɦɑʊ̯də(n)/
Hyphenationbij·hou·den
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) hou bij, houd bij(ik) hield bij
(jij) houdt bij(jij) hield bij
(hij) houdt bij(hij) hield bij
(wij) houden bij(wij) hielden bij
(gij) houdt bij(gij) hieldt bij
(zij) houden bij(zij) hielden bij
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) bijhoude(dat ik) bijhielde
(dat jij) bijhoude(dat jij) bijhielde
(dat hij) bijhoude(dat hij) bijhielde
(dat wij) bijhouden(dat wij) bijhielden
(dat gij) bijhoudet(dat gij) bijhieldet
(dat zij) bijhouden(dat zij) bijhielden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
hou bij, houd bijhoudt bij
Participles
Present participlePast participle
bijhoudend, bijhoudende(hebben) bijgehouden

Translations

Afrikaansaanhou; behou; hou; vashou
Catalanaguantar; mantenir; retenir; sostenir; suportar; tenir
Czechdržet
Danishbevare; holde
Englishkeep
English (Old English)healdan
Esperantoteni
Faeroesehalda; taka um
Finnishpitää
Frenchtenir
Germanaufhalten; halten; verhalten
Hungariantartani
Italiantenere
Latinhabere; tenere
Luxemburgishhalen
Malaymemegang; pegang
Norwegianholde
Papiamentonister; tene
Polishtrzymać
Portugueseconservar; guardar; manter; segurar; sustenar; ter
Romanianține
Russianдержать
Saterland Frisianaphoolde; hoolde
Scottish Gaeliccum; cùm
Spanishtener
Srananori
Swedishbehålla; hålla
Thaiเก็บ; เก็บไว้; ถือ; จับไว้
Turkishtutmak
West Frisianhâlde
Yiddishהאַלטן