Information about the word taxeren (Dutch → Esperanto: taksi)

Pronunciation/tɑkˈserə(n)/
Hyphenationtaxe·ren
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) taxeer(ik) taxeerde
(jij) taxeert(jij) taxeerde
(hij) taxeert(hij) taxeerde
(wij) taxeren(wij) taxeerden
(gij) taxeert(gij) taxeerdet
(zij) taxeren(zij) taxeerden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) taxere(dat ik) taxeerde
(dat jij) taxere(dat jij) taxeerde
(dat hij) taxere(dat hij) taxeerde
(dat wij) taxeren(dat wij) taxeerden
(dat gij) taxeret(dat gij) taxeerdet
(dat zij) taxeren(dat zij) taxeerden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
taxeertaxeert
Participles
Present participlePast participle
taxerend, taxerende(hebben) getaxeerd

Usage samples

Geleidelijk verminderde ook het aantal walvissen dat onze vijf jachtboten wisten te bemachtigen, en in de tanks hadden we pas zevenduizend vaten traan, terwijl men getaxeerd had in datzelfde tijdsverloop er zeker wel dertigduizend te zullen produceren.
Ze probeerde te taxeren hoe ver het verwijderd was, voordat ze zich dwong het uit haar gedachten te zetten.

Translations

Afrikaansbegroot; skat; raam
Catalanapreciar; avaluar; prear; taxar
Czechcenit; hodnotit; odhadnout; odhadovat; ocenit; oceňovat
Danishbedømme; vurdere
Englishappraise; assess; gauge; rate; value
Esperantotaksi
Faeroesemeta
Finnisharvioida
Frenchapprécier; estimer; évaluer; taxer
Germanabschätzen; bewerten; einschätzen; schätzen
Italianapprezzare; stimare; valutare
Latinaestimare; appretiare; censere; taxare
Malaymenaksir; taksir
Papiamentobalorá; balotá; baluá; kalkulá; taksa; takser
Polishoceniać
Portugueseajuizar; apreçar; apreciar; avaliar; estimar; orçar; taxar
Romanianaprecia; evalua
Saterland Frisianbeweertje; ienschätsje; ienskätsje; ouschätsje; ouschätsje; ouskätsje; schätsje; skätsje
Spanishapreciar; estimar; evaluar; tasar
Swedishberäkna; taxera; uppskatta; värdera
Thaiหมาย; ประมาณ; เดา
West Frisianrûze; skatte