Informatie over het woord hechten (Nederlands → Esperanto: suturi)

Uitspraak/ˈɦɛxtə(n)/
Afbrekinghech·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) hecht(ik) hechtte
(jij) hecht(jij) hechtte
(hij) hecht(hij) hechtte
(wij) hechten(wij) hechtten
(gij) hecht(gij) hechttet
(zij) hechten(zij) hechtten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) hechte(dat ik) hechtte
(dat jij) hechte(dat jij) hechtte
(dat hij) hechte(dat hij) hechtte
(dat wij) hechten(dat wij) hechtten
(dat gij) hechtet(dat gij) hechttet
(dat zij) hechten(dat zij) hechtten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
hechthecht
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
hechtend, hechtende(hebben) gehecht

Voorbeelden van gebruik

De wond werd verscheidene keren gehecht, maar wilde niet genezen.

Vertalingen

Engelssuture
Esperantosuturi
Portugeessuturar