Informatie over het woord bruo

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Afbrekingbru·o

Verbuiging

Nominatiefbruo
Accusatiefbruon

Vertalingen

Afrikaanslawaai; ophef
Catalaanssoroll
Deenslarm
DuitsAufsehen; Braus; Geräusch; Lärm
Engelsado; ballyhoo; din; noise; ruckus
Engels (Oudengels)dyn; dyne
Hongaarslárma; zaj
Italiaansrumore
Jiddischטומל; רעש
Nederlandsgeraas; kabaal; lawaai; leven; ophef; rumoer
Noorslarm
Papiamentsbabel; bagamunderia; beheit; bochincha; bòmbòshi; boroto; desòrden
Portugeesbarulho; ruído
SaterfriesApsjoon; Schendoal; Skendoal
Schots-Gaelischfuaim
Spaansruido
Srananbabari; wunyuwunyu
Swahilikelele
Tsjechischhlučnost; hluk; hřmot; lomoz; šum
Turksgürültü
Westerlauwers Frieslawaai; leven
Zweedsbråk; buller; dån; krasch; larm; oljud; olåt; oväsen; stoj; väsen