Informatie over het woord opleggen (Nederlands → Esperanto: surmeti)

Uitspraak/ˈɔplɛɣə(n)/
Afbrekingop·leg·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) leg op(ik) legde op
(jij) legt op(jij) legde op
(hij) legt op(hij) legde op
(wij) leggen op(wij) legden op
(gij) legt op(gij) legdet op
(zij) leggen op(zij) legden op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) oplegge(dat ik) oplegde
(dat jij) oplegge(dat jij) oplegde
(dat hij) oplegge(dat hij) oplegde
(dat wij) opleggen(dat wij) oplegden
(dat gij) oplegget(dat gij) oplegdet
(dat zij) opleggen(dat zij) oplegden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
leg oplegt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opleggend, opleggende(hebben) opgelegd

Voorbeelden van gebruik

Zolang je je aan die stelregel houdt, is Throop niet bij machte je kwaad te doen, op grond van een betovering die hem lang geleden is opgelegd.
Ook kreeg Rusland sancties opgelegd voor de steun aan Oekraïense separatisten.

Vertalingen

Afrikaansaansit; aantrek; omsit; opsit; aandoen
Duitsanlegen; antun; anziehen; auflegen
Engelsput on
Esperantosurmeti
Fransappliquer; imposer; mettre; revêtir
Hongaarsrátesz
Poolsnałożyć
Portugeesaplicar; apor; vestir
Roemeensse încălța
Saterfriesandwo; anluuke
Spaansponer; sobreponer
Thaisพอก; สวม; ใส่
Westerlauwers Friesoandwaan