Informatie over het woord lijden (Nederlands → Esperanto: suferi)

Uitspraak/ˈlɛɪ̯də(n)/
Afbrekinglijd·en
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) lijd(ik) leed
(jij) lijdt(jij) leed
(hij) lijdt(hij) leed
(wij) lijden(wij) leden
(gij) lijdt(gij) leedt
(zij) lijden(zij) leden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) lijde(dat ik) lede
(dat jij) lijde(dat jij) lede
(dat hij) lijde(dat hij) lede
(dat wij) lijden(dat wij) leden
(dat gij) lijdet(dat gij) ledet
(dat zij) lijden(dat zij) leden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
lijdlijdt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
lijdend, lijdende(hebben) geleden

Voorbeelden van gebruik

Dat ons werk eronder leed, spreekt vanzelf.
De secessionisten hadden zware verliezen geleden.
Je weet toch dat ik aan slapeloosheid lijdt!
Zijn humeur leed daaronder.
Mevrouw Dickerdack had op hem gewacht, zoals haar gewoonte was, maar haar humeur had ernstig geleden.
In 1878 leden de Ottomanen een zware nederlaag tegen de Russen.
Mijn vijanden zouden lijden, zoals ik geleden had, en erger!

Vertalingen

Afrikaansly; ondergaán
Catalaanspatir; sofrir
Deensgennemgå
Duitsaushalten; dulden; erdulden; erleiden; ertragen; leiden
Engelsbear; endure; suffer; sustain
Esperantosuferi
Faeröerslíða
Finskärsiä
Fransendurer; souffrir; subir
IJslandsþola
Latijnpatiri
Maleisderita … menderita
Papiamentssufri; wanta
Poolscierpieć
Portugeesaturar; padecer; penar; provar; sofrer; suportar; tolerar
Saterfriesduldje; ferdreege; liede; uuthoolde
Spaanspadecer; sufrir
Srananpina
Thaisต้อง; ทาน
Tsjechischsnášet; trpět; utrpět
Turksazap çekmek
Westerlauwers Frieslije
Zweedslida