Informatie over het woord opwinden (Nederlands → Esperanto: streĉi)

Uitspraak/ˈɔpʋɪŋdə(n)/
Afbrekingop·win·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) wind op(ik) wond op
(jij) windt op(jij) wond op
(hij) windt op(hij) wond op
(wij) winden op(wij) wonden op
(gij) windt op(gij) wondt op
(zij) winden op(zij) wonden op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opwinde(dat ik) opwonde
(dat jij) opwinde(dat jij) opwonde
(dat hij) opwinde(dat hij) opwonde
(dat wij) opwinden(dat wij) opwonden
(dat gij) opwindet(dat gij) opwondet
(dat zij) opwinden(dat zij) opwonden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
wind opwindt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opwindend, opwindende(hebben) opgewonden

Voorbeelden van gebruik

Waarom stuurt Wilkinson twee dagen achtereen iemand om de klokken op te winden, mama?
Ik kijk altijd op mijn horloge voordat ik het opwind.

Vertalingen

Afrikaansopwen; uitrek
Catalaansblegar; estirar; flectir; prèmer; tesar; tibar
Deenstrække op
Duitsanspannen; anziehen; aufziehen; ausspannen; spannen; straffen
Engelswind up
Esperantostreĉi
Faeröersspenna; toyggja
Finsjännittää
Fransbander; raidir; remonter; serrer; tendre
Italiaanscaricare
Poolsnapinać
Portugeesapertar; armar; dar corda; engatilhar; entesar; esticar; retesar
Saterfriesanhiesje; diene; räkke; sponne; sträkke; uutdiene; uuträkke
Spaansamartillar; atirantar; dar cuerda; tensar