Information about the word aantasten (Dutch → Esperanto: ataki)

Pronunciation/ˈantɑstə(n)/
Hyphenationaan·tas·ten
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) tast aan(ik) tastte aan
(jij) tast aan(jij) tastte aan
(hij) tast aan(hij) tastte aan
(wij) tasten aan(wij) tastten aan
(gij) tast aan(gij) tasttet aan
(zij) tasten aan(zij) tastten aan
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) aantaste(dat ik) aantastte
(dat jij) aantaste(dat jij) aantastte
(dat hij) aantaste(dat hij) aantastte
(dat wij) aantasten(dat wij) aantastten
(dat gij) aantastet(dat gij) aantasttet
(dat zij) aantasten(dat zij) aantastten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
tast aantast aan
Participles
Present participlePast participle
aantastend, aantastende(hebben) aangetast

Translations

Afrikaansaanval; takel; aangryp
Catalanatacar
Danishangribe
Englishattack
Esperantoataki
Faeroeseleypa á
Finnishhyökätä
Frenchassaillir; attaquer
Germananfallen; anfechten; angreifen; attackieren; ausfallen; befallen; den Kampf beginnen; in Angriff nehmen; losgehen auf; sich hermachen über; sich machen an; überfallen; zerstören
Hungariantámad
Italianattaccare
Latinappugnare; oppugnare
Papiamentoataká
Portugueseabordar; acometer; agredir; assaltar; atacar
Russianатаковать; нападать
Saterland Frisiananfaale; angriepe; befaale; uurfaale; uutfaale
Spanishagredir; atacar
Swedishanfalla
Thaiโจมตี
Turkishsaldırmak
West Frisianoanfalle