Informatie over het woord staan (Nederlands → Esperanto: stari)

Uitspraak/stan/
Afbrekingstaan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sta(ik) stond
(jij) staat(jij) stond
(hij) staat(hij) stond
(wij) staan(wij) stonden
(gij) staat(gij) stondt
(zij) staan(zij) stonden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) sta(dat ik) stonde
(dat jij) sta(dat jij) stonde
(dat hij) sta(dat hij) stonde
(dat wij) staan(dat wij) stonden
(dat gij) staat(dat gij) stondet
(dat zij) staan(dat zij) stonden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
stastaat
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
staand, staande(hebben) gestaan

Voorbeelden van gebruik

Wat sta je daar te loeren?
Daar staat een wagen!
En staat ge nu niet vol ontzag oog in oog met uw aanstaande dood?
Ze stonden voor een oud huis.
Mijmerend staande aan de rand van deze verraderlijke vlakte zag hij een man verschijnen die hij nimmer had gezien.
Het gebouw stond apart.
U ziet dat ik nog op mijn plaats sta?
Zo dicht mogelijk tegen het raam gedrukt bleef hij hij wel een half uur staan luisteren.
Als ik niet meer op mijn eigen benen kan staan, is het tijd om te sterven.
Raagje, kijk eens wie er op me staat te wachten.

Vertalingen

Afrikaansstaan
Berbersbded (ⴱⴷⴻⴷ)
Catalaansestar dret; estar en algun; romandre
Deensstå
Duitsstehen
Engelsstand
Engels (Oudengels)standan
Esperantostari
Faeröersstanda
Finsseisoa
Fransêtre debout; se dresser
Hongaarsáll
IJslandsstanda
Italiaansstare in piedi
Jiddischשטיין
Latijnstare
Luxemburgsstoen
Maleisdiri
Noorsstå
Poolsstać; wstawać
Portugeesestar de pé; ficar; permanecer
Russischпостоять; стоять
Saterfriesstounde
Schots-Gaelischseas
Spaansestar de pie
Sranantanapu
Swahili‐simama
Thaisยืน
Tsjechischstát
Welssefyll
Westerlauwers Friesstean