Informatie over het woord schuren (Nederlands → Esperanto: smirgi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsxyːrə(n)/
Afbrekingschu·ren

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schuur(ik) schuurde
(jij) schuurt(jij) schuurde
(hij) schuurt(hij) schuurde
(wij) schuren(wij) schuurden
(gij) schuurt(gij) schuurdet
(zij) schuren(zij) schuurden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schure(dat ik) schuurde
(dat jij) schure(dat jij) schuurde
(dat hij) schure(dat hij) schuurde
(dat wij) schuren(dat wij) schuurden
(dat gij) schuret(dat gij) schuurdet
(dat zij) schuren(dat zij) schuurden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schuurschuurt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schurend, schurende(hebben) geschuurd

Voorbeelden van gebruik

Ik ben de boot aan het schuren omdat er straks een nieuwe laklaag op komt.

Vertalingen

Duitsschmirgeln
Esperantosmirgi
Saterfriespolierje
Thaisขัดสี