Informatie over het woord liggen (Nederlands → Esperanto: situi)

Uitspraak/ˈlɪɣə(n)/
Afbrekinglig·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) lig(ik) lag
(jij) ligt(jij) lag
(hij) ligt(hij) lag
(wij) liggen(wij) lagen
(gij) ligt(gij) lagt
(zij) liggen(zij) lagen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) ligge(dat ik) lage
(dat jij) ligge(dat jij) lage
(dat hij) ligge(dat hij) lage
(dat wij) liggen(dat wij) lagen
(dat gij) ligget(dat gij) laget
(dat zij) liggen(dat zij) lagen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
liggend, liggende(hebben) gelegen

Voorbeelden van gebruik

Niet ver van zijn hof lag een klein dorp waar enkele arme gezinnen woonden.
Montevideo ligt in Uruguay.
Het hotel moet ongeveer naast het station liggen.
Daar liggen grote steden.

Vertalingen

Afrikaans
Albaneesgjendem
Catalaansradicar; trobar‐se
Deensligge
Duitsliegen
Engelsbe situated; lie; sit
Esperantositui; kuŝi
Finssijaita
Fransêtre situé
Luxemburgsleien
Papiamentskeda
Portugeesestar situado
Saterfrieslääse
Spaansestar situado
Thaisอยู่
Westerlauwers Frieslizze