Information du mot sturen (néerlandais → espéranto: sendi)

Prononciation/ˈstyːrə(n)/
Césurestu·ren
Parti du discoursverbe

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) stuur(ik) stuurde
(jij) stuurt(jij) stuurde
(hij) stuurt(hij) stuurde
(wij) sturen(wij) stuurden
(gij) stuurt(gij) stuurdet
(zij) sturen(zij) stuurden
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) sture(dat ik) stuurde
(dat jij) sture(dat jij) stuurde
(dat hij) sture(dat hij) stuurde
(dat wij) sturen(dat wij) stuurden
(dat gij) sturet(dat gij) stuurdet
(dat zij) sturen(dat zij) stuurden
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
stuurstuurt
Participes
Participe présentParticipe passé
sturend, sturende(hebben) gestuurd

Exemples d’usage

We zullen iemand sturen.
Ik had ze gestuurd om jullie in de val te lokken.
Ik stuur hem een telegram.
Zij sturen daardoor ook geen geld meer naar hun familie in Egypte.
Wie stuurde uit Le Havre een telegrammetje en voor wie was dat bestemd?
Stuur ze deze twee hoofden, in een mooie kist.

Traductions

afrikaansoorsend; stuur
albanaisdërgoj
allemandeinsenden; schicken; senden
anglaissend
anglais (vieil anglais)asendan; onsendan; sendan
catalanenviar; trametre
danoissende
espagnoldespachar; enviar; expedir
espérantosendi
féringiensenda
finnoislähettää
françaisadresser; envoyer
frison saterlandienseende; seende
gaélique écossaiscuir
hongroisküld
islandaissenda
italienmandare
latinmittere
luxembourgeoisschécken
malaiskirim
norvégiensende
polonaisposyłać
portugaisenviar; mandar; remeter
roumainexpedia; trimite
russeпослать; посылать
srananseni
suédoissända
thaïส่ง
turcgöndermek; yollamak